TNN - jaargang 115, nummer 1, maart 2014
E. Carrette , dr. K. Vonck , dr. P. Boon
Magnetoencefalografie (MEG) is een functioneel beeldvormend onderzoek van de hersenen. Het meet op een niet-invasieve, directe manier de magnetische velden die gegenereerd worden door de elektrische activiteit in de hersenen. MEG wordt steeds vaker vernoemd binnen de prechirurgische evaluatie van patiënten met refractaire epilepsie. Dankzij de specifieke eigenschappen van magnetische velden is het op basis van MEG-signalen mogelijk om op een uitermate nauwkeurige manier bronlokalisatie uit te voeren en op die manier de origine van interictale epileptiforme ontladingen te bepalen. MEG blijkt sensitiever te zijn dan scalp elektroencefalografie voor het oppikken van deze ontladingen. Onderzoek toont aan dat het toevoegen van een MEG-onderzoek aan de prechirurgische evaluatie van refractaire epilepsiepatiënten bijkomende en onmisbare informatie oplevert. Daarenboven laat MEG toe eloquente cortex op basis van magnetische geëvoceerde velden op niet-invasieve wijze in beeld te brengen.
(Tijdschr Neurol Neurochir 2014;115:5-10)
TNN - jaargang 115, nummer 1, maart 2014
R.A. van Zoest , P. Portegies
De introductie van gecombineerde antiretrovirale therapie (cART) heeft de mortaliteit en morbiditeit van de hiv-infectie spectaculair doen dalen. Een vergelijkbare trend is waargenomen in de incidentie van opportunistische infecties van het centraal zenuwstelsel (CZS). Ondanks de lage incidentie worden deze infecties nog wel gezien bij immunodeficiënte patiënten (CD4+ T-cellen < 0,20 × 109/liter). Bovendien is de differentiële diagnostiek complexer doordat, dankzij de verbeterde levensverwachting van hiv-patiënten, ook gewone neurologische aandoeningen als herseninfarcten, -bloedingen en -tumoren steeds vaker bij deze groep worden gezien. Nog altijd moet de diagnostiek snel en laagdrempelig worden uitgevoerd, zodat een behandeling direct kan worden ingesteld. Een goede samenwerking tussen neuroloog en internist-infectioloog is hierbij essentieel.
(Tijdschr Neurol Neurochir 2014;115:11-9)
TNN - jaargang 114, nummer 4, december 2013
R.A.J. Esselink
TNN - jaargang 114, nummer 4, december 2013
dr. V.J.J Odekerken , P. van den Munckhof , prof. dr. P.R. Schuurman , prof. dr. R.M.A. de Bie
Diepe hersenstimulatie (‘deep brain stimulation’; DBS) voor de ziekte van Parkinson kan worden overwogen bij patiënten met medicatie-geïnduceerde responsfluctuaties wanneer aanpassingen in het medicatieschema onvoldoende helpen. DBS verbetert vooral de motorische symptomen die aanvankelijk goed op dopaminerge medicatie reageerden, zoals tremor, bradykinesie en rigiditeit. Daarnaast is de tijd die patiënten gedurende de dag in de ‘off’-fase doorbrengen na DBS korter. Bovendien kan de medicatie vaak worden verminderd na DBS. Dyskinesieën nemen af. De belangrijkste risico’s van DBS zijn een (zelden voorkomend) intracerebraal hematoom, infectie, apparatuurgerelateerde complicaties en cognitieve en/of gedragsstoornissen. Er zijn verschillende doelgebieden voor diepe hersenstimulatie onderzocht. De nucleus subthalamicus lijkt de meest effectieve keuze te zijn voor het verminderen van motorische symptomen en het verbeteren van het algemeen functioneren. Recent onderzoek heeft aangetoond dat ook in een vroegere fase van de ziekte, wanneer medicatie-geïnduceerde reponsfluctuaties beginnen op te treden, DBS beter werkt dan alleen medicatie voor het verminderen van de motorische symptomen en het verbeteren van de kwaliteit van leven. Hierdoor lijkt het aantal patiënten dat in aanmerking komt voor DBS toe te nemen.
(Tijdschr Neurol Neurochir 2013;114:143-8)
TNN - jaargang 114, nummer 4, december 2013
H.M. den Hertog , P.J. Koudstaal
Patiënten met een ‘transient ischemic attack’ (TIA) hebben 5% kans op een recidief TIA of beroerte in de eerste 2 dagen. Een TIA blijft een uitdagende diagnose die meestal is gebaseerd op de anamnese. Vroege diagnose en aanvullend onderzoek is van belang voor het snel starten met preventieve maatregelen. Recentelijk is gebleken dat de 24/7-TIA-service met zowel een poliklinische als klinische benadering leidt tot een afname van het aantal vasculaire complicaties. In dit artikel worden zowel de diagnostische als organisatorische dilemma’s bij patiënten met een TIA besproken.
(Tijdschr Neurol Neurochir 2013;114:149-53)
TNN - jaargang 114, nummer 3, september 2013
drs. M.M. Eysink Smeets , J.M.A. Verhagen , D.J. Kamphuis , A.J.M. Rozemuller , dr. J. Haan
Een cerebrale caverneuze malformatie (CCM) bestaat uit een verwijde vaatholte zonder tussenliggend hersenparenchym. ‘Familiaire Cerebrale Caverneuze Malformaties (FCCM)’ is een autosomaal dominante aandoening en wordt gekenmerkt door het voorkomen van multipele CCMs. Klinische uitingen van FCCM zijn epilepsie, bloedingen, hoofdpijn en focale uitval. Bij FCCM kunnen echter ook vasculaire malformaties buiten het zenuwstelsel voorkomen, zoals caverneuze malformaties van de retina en cutane vasculaire malformaties. Zowel de klinische als radiologische penetrantie is incompleet. Drie ziektegenen zijn geïdentificeerd en de diagnose kan bevestigd worden middels DNA-diagnostiek. Een conservatief beleid is op zijn plaats in geval van asymptomatische CCMs, waarbij zowel controle middels MRI als varen op de kliniek te verdedigen is. Chirurgie kan worden overwogen bij patiënten met refractaire epilepsie, progressieve neurologische uitval of herhaaldelijke symptomatische bloedingen. In dit overzichtsartikel wordt kliniek, diagnostiek en beleid omtrent FCCM beschreven aan de hand van twee familieleden met een bewezen mutatie in het CCM1 gen.
(Tijdschr Neurol Neurochir 2013;114:95-104)
TNN - jaargang 114, nummer 3, september 2013
dr. J. Hofmeijer , J.E. Lindeboom , dr. S.E. Vermeer
In meerdere onderzoeken is een associatie tussen cryptogene herseninfarcten en een persisterend foramen ovale (PFO) gevonden. Er werd echter geen beschermend effect van sluiting van een PFO op recidiverende cryptogene cerebrale ischemie aangetoond in drie gerandomiseerde klinische trials, ondanks suggesties hiervoor uit observationele onderzoeken. Er bestaat dus onvoldoende bewijs voor een gunstig effect van deze behandeling. Meta-analyse van data uit observationele onderzoeken toonde een lager risico van recidiverende cryptogene cerebrale ischemie tijdens behandeling met orale anticoagulantia dan met trombocytenaggregatieremmers. Behandeling met orale anticoagulantia is dus mogelijk effectiever bij patienten met een PFO en doorgemaakt herseninfarct, maar de bewijslast is laag. De huidige standaardbehandeling met trombocytenaggregatieremmers is een rationele eerste keuze voor patiënten met cryptogeen herseninfarct of TIA en PFO. Bij recidiverende cryptogene cerebrale ischemie en PFO kan behandeling met orale anticoagulantia worden overwogen. Indien percutane sluiting wordt overwogen, ondanks het ontbreken van bewijs voor effect, moeten een niet te verwaarlozen periprocedureel complicatierisico en de kans op atriumfibrilleren worden betrokken in de risicoafweging.
(Tijdschr Neurol Neurochir 2013;114:105-110)