JOURNAL SCAN

Diagnose en classificatie van neuritis optica

TNN - jaargang 123, nummer 8, december 2022

dr. B.W. van Oosten

SAMENVATTING

Door de vele ontwikkelingen op het gebied van de diagnostiek en behandeling van neuritis optica (NO) is het belang van diagnostische criteria en classificatie sterk toegenomen. In de jaren 2018–2021 heeft een groep internationale deskundigen samengewerkt via de Delphi-methode om hiertoe te komen.1

Zij stellen de diagnose ‘definite optic neuritis’ als sprake is van een combinatie van klinische verschijnselen en paraklinische bevindingen (OCT, MRI, auto-immuunantistoffen in het bloed of oligoklonale bandjes in de liquor). De auteurs geven ook diagnostische criteria voor de diagnose ‘possible optic neuritis’, voor die gevallen waar onvoldoende bewijs is voor ‘definite optic neuritis’. De diagnose ‘possible optic neuritis’ kan worden gesteld zonder complex paraklinisch onderzoek.

Als eenmaal de diagnose NO is gesteld, zijn er 3 indelingsniveaus. Op het eerste niveau wordt onderscheid gemaakt tussen een auto-immuun-NO (meestal polyfasisch beloop) en een systemische of infectieuze oorzaak (meestal monofasisch). Op het tweede niveau wordt binnen de auto-immuungroep een verdere onderverdeling uitgewerkt met als opties: MS, NO op basis van specifieke antistoffen (aquaporine-4, MOG, CRMP5), en geïsoleerde NO-vormen als SION, RION en CRION. Bij de andere groep volgt op het tweede niveau het onderscheid tussen (post-)infectieuze en systemische oorzaken. Het derde niveau bestaat uit een lijst met aandoeningen waarover (nog) geen consensus werd bereikt.

De verschillende soorten NO op het tweede niveau worden onderscheiden op basis van hun anatomische lokalisatie, het beloop in de tijd, aanwezigheid van biomarkers en bevindingen bij beeldvormend (MRI, OCT) en neurofysiologisch (ERG, VEP) onderzoek.

Het artikel eindigt met een beschrijving van de behandeling van NO. Over meerdere aspecten van de behandeling werd echter geen consensus bereikt.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(8):394–5)

Lees verder

Endovasculair behandelen van een herseninfarct ten gevolge van een a. basilaris-occlusie

TNN - jaargang 123, nummer 7, november 2022

drs. R.R.M.M. Knapen , dr. A.A. Postma

SAMENVATTING

Een endovasculaire behandeling (EVT) is bewezen effectief bij patiënten met een intracraniële anterieure occlusie. 1,2 Over de effectiviteit van EVT bij een a. basilaris-occlusie (BAO) is echter weinig bekend in de literatuur. Tot vorig jaar was de enige gerandomiseerde, gecontroleerde trial (RCT) de BEST-trial. Hieruit bleek geen effect van EVT bij een BAO.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(7):346–7)

Lees verder

De diagnostische waarde van MOG-antistoffen

TNN - jaargang 123, nummer 4, june 2022

drs. C.M.C. Lemmens , drs. E.G. Berger-Plantinga

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(4):190–1)

Lees verder

Gold Coast-criteria verhogen de sensitiviteit voor de diagnose amyotrofische laterale sclerose

TNN - jaargang 123, nummer 3, mei 2022

A.A. Gouw

SAMENVATTING

De Gold Coast (GC)-diagnostische criteria voor amyotrofische laterale sclerose (ALS) zijn in 2019 voorgesteld voor gebruik in zowel de klinische als onderzoekssetting, omdat er verschillende bemerkingen zijn ten aanzien van de bestaande criteria.1 De gereviseerde El Escorial (rEE)-criteria en Awaji (AW)-criteria zijn complex en derhalve foutgevoelig, hebben een beperkte sensitiviteit en omvatten verschillende categorieën (zeker, waarschijnlijk, mogelijk ALS) die matig correleren met het ziektebeloop.2,3

De voornaamste veranderingen bij de GC-criteria zijn: 1) dat slechts 1 lichaamsregio aangedaan hoeft te zijn met gelijktijdige betrokkenheid van de centrale (CMN) en perifere motorische neuronen (PMN), overeenkomend met de ‘mogelijk ALS’-categorie van de AW-criteria, 2) het bestaan van slechts 2 categorieën: wel of geen ALS, 3) dat patiënten met geïsoleerde PMN-afwijkingen in 2 of meer regio’s (dat wil zeggen progressieve spinale musculaire atrofie, PSMA) worden gediagnosticeerd als ALS, en 4) dat patiënten met geïsoleerde betrokkenheid van de CMN (dat wil zeggen primaire laterale sclerose) niet worden gediagnosticeerd als ALS.

Conform de eerdere criteria, bieden afwijkingen bij elektromyografie (EMG) bewijs voor PMN-betrokkenheid, maar worden vergrote motorunitactiepotentialen (MUAP, verlengde duur en/of verhoogde amplitude) beschouwd als de enige EMG-marker voor chronische neurogene veranderingen. Voor denervatie volstaan zowel fibrillaties, positief scherpe golven als fasciculaties.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(3):135–6)

Lees verder

Ziekte van Parkinson en STN-DBS: cognitieve effecten bij dragers van een -mutatie

TNN - jaargang 123, nummer 2, april 2022

dr. B.E.K.S. Swinnen , drs. T.R. ten Brinke , prof. dr. R.M.A. de Bie

SAMENVATTING

Pal en collega’s onderzochten in deze retrospectieve studie of behandeling met diepe hersenstimulatie van de nucleus subthalamicus (STN-DBS) voor de ziekte van Parkinson bij mensen met een mutatie in het glucocerebrosidase (GBA)-gen tot snellere cognitieve achteruitgang leidt. Het is immers bekend dat parkinsonpatiënten die drager zijn van een GBA-mutatie een verhoogd risico hebben op cognitieve achteruitgang, kaderend binnen een algemeen ernstiger ziekteverloop.1 De onderzoekers hebben hiertoe patiëntengegevens verzameld uit 12 datasets van 8 centra in Noord-Amerika en Europa. Deze data waren afkomstig uit longitudinale studies waarin onder andere de cognitie werd opgevolgd aan de hand van de ‘Mattis dementia rating scale’ (MDRS). De patiënten werden onderverdeeld in 4 groepen op basis van de aan- of afwezigheid van een GBA-mutatie en het wel of niet ondergaan van STN-DBS. Om de relatie tussen GBA-mutatie en STN-DBS te onderzoeken, werd een ‘linear mixed model’ gebruikt, waarbij werd gecorrigeerd voor leeftijd bij cognitieve evaluatie/inclusie van het onderzoek, leeftijd bij begin van de ziekte van Parkinson (beginleeftijd) en geslacht.

Uit de studie bleek dat er een grotere cognitieve achteruitgang was bij patiënten met zowel een GBA-mutatie als STN-DBS (GBA+DBS+) in vergelijking met alle andere groepen, in het bijzonder met patiënten met een GBA-mutatie, maar geen STN-DBS (GBA+DBS-). Pal en collega’s concluderen dat de combinatie van een GBA-mutatie en STN-DBS een nadelig effect heeft op de cognitie. Zij adviseren dat screening op aanwezigheid van een GBA-mutatie deel moet uitmaken van de DBS-screening. In geval er een GBA-mutatie is, zou het verhoogde cognitieve risico moeten worden besproken met de patiënt en dienen alternatieve, geavanceerde behandelingen te worden overwogen.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(2):91–2)

Lees verder

Ticagrelor versus clopidogrel bij CYP2C19-‘loss-of-function’-dragers met een beroerte of TIA

TNN - jaargang 123, nummer 1, februari 2022

drs. T. Guffens , prof. dr. R.J. van Oostenbrugge

SAMENVATTING

Zowel clopidogrel als ticagrelor is een trombocytenaggregatieremmer die zijn functie uitoefent door middel van inhibitie van ADP-receptoren van subtype P2Y12. Hoewel hun uiteindelijke doel hetzelfde is, bestaat er een verschil in de farmacokinetiek van beide middelen waardoor deze inhibitie wordt bereikt. Immers, clopidogrel moet eerst worden omgezet in zijn actieve metaboliet, terwijl dit bij ticagrelor niet hoeft. Daarnaast blijkt de binding van ticagrelor aan de receptor reversibel te zijn, wat maakt dat deze inhibitie op te heffen is. Een voorwaarde voor de omzetting van clopidogrel tot zijn actieve metaboliet is de aanwezigheid van het leverenzym CYP2C19, wat door het gelijknamige allel gecodeerd wordt. Van dit allel bezit ieder mens er 2. Een deel van de bevolking heeft echter 1 of 2 niet-functionele coderende allelen voor dit enzym (‘loss-of-function carrier’), met als resultaat een verminderde of zelfs afwezige werking.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2022;123(1):47–8)

Lees verder

Langetermijneffect van diepe hersenstimulatie van de nucleus subthalamicus bij patiënten met de ziekte van Parkinson

TNN - jaargang 122, nummer 7, november 2021

dr. F. Dijkstra , prof. dr. D. Crosiers

SAMENVATTING

Diepe hersenstimulatie (DBS) van de nucleus subthalamicus (STN) is een toegepaste tweedelijnstherapie bij patiënten met een gevorderd stadium van de ziekte van Parkinson.1,2 Van de resultaten op lange termijn (>15 jaar) is echter weinig bekend. Gezien de toenemende levensverwachting en noodzaak van periodieke batterijvervangingen, is het voor patiënten relevant om te weten wat ze op de lange termijn kunnen verwachten.

Bove et al. voerden een retrospectieve studie uit bij 51 patiënten.3 De primaire uitkomstmaat was verandering in de score op de ‘Movement Disorder Society-unified Parkinson’s disease rating scale’ (MDS-UPDRS) deel 4 (motorische complicaties) na >15 jaar, in vergelijking met de evaluatie voorafgaand aan de ingreep. De secundaire uitkomstmaten waren veranderingen in de score op de MDS-UPDRS deel 3 (motorische score), levodopa-equivalente dagelijkse dosis (LEDD) en stimulatieparameters. De kwaliteit van leven werd geëvalueerd met de ‘Parkinson’s disease quality of life questionnaire’ (PDQL) met 4 domeinen: parkinsonismesymptomen, systemische symptomen, emotionele symptomen en sociale aspecten. Ook werden complicaties onderzocht. Uit het onderzoek bleek dat STN-DBS na >15 jaar effectief was in het verminderen van dyskinesiëen (-78,7%) en off-periodes (-58,7%). De PDQL bleef na >15 jaar met 13,8% verbeterd (verbetering op het emotionele en sociale domein, zonder significant verschil op het parkinsonisme- en systemische domein). Er was een toename van de score op de MDS-UPDRS deel 3. De LEDD nam af met 73,4% postoperatief en bleef verminderd, met na >15 jaar 50,6%. Bij het merendeel van de patiënten werd een monopolaire stimulatie gebruikt. Vanaf een jaar na de ingreep werden geen significante aanpassingen in de stimulatie-amplitude of de pulsbreedte meer gedaan. Wel was er een significante reductie in stimulatiefrequentie. Als nevenwerkingen werden enkele operatieve, stimulator- en stimulatie-gerelateerde complicaties gedocumenteerd.

(TIJDSCHR NEUROL NEUROCHIR 2021;122(7):354-5)

Lees verder